Modernisering Rijksoctrooiwet 1995
Reactie
Naam
|
dr. ir. C.H.M.P. Willems
|
Plaats
|
Maastricht
|
Datum
|
17 maart 2025
|
Vraag1
Wat vindt u van het wetsvoorstel Modernisering Rijksoctrooiwet 1995?
In het kader van het stimuleren van publiek-private samenwerkingen en het creëren van een gelijk speelveld voor onderzoekers werkzaam in het publieke en private domein is het bij een modernisering van de Rijksoctrooiwet 1995 m.i. aan te bevelen om artikel 12, derde lid te herzien of zelfs te laten vervallen.
Artikel 12, derde lid, bepaalt dat voor iedere uitvinding die gedaan is door iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht, de aanspraak op octrooi toekomt aan de betrokken universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling. Hieruit volgt dat er geen verband hoeft te bestaan tussen de soort uitvinding en het betreffende onderzoek.
Dit wijkt af van het criterium in Artikel 12, eerste en tweede lid, dat ziet op iedere ander dienstverband of stages. Daar dient dit verband tussen de soort uitvinding en de werkzaamheden in de dienstbetrekking of stage wel te bestaan.
De rechtvaardiging voor het aantasten van de rechten van onderzoekers aan universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling ten opzichte van andere werknemers die onderzoek en ontwikkelingswerk elders doen of stagiairs (zelfs aan een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling) is ver te zoeken. Het aanwenden van publieke middelen kan hiervoor geen argument vormen, daar er dan een verband ontstaat tussen de soort uitvinding en de werkzaamheden net zoals bij andersoortige dienstverbanden.
Bovendien levert de huidige bepaling onder artikel 12, derde lid, de nodige problemen op in samenwerkingen (e.g. publiek-privaat) met een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling. Bijvoorbeeld een onderzoeker uit het bedrijfsleven die fysiek onderzoek aan een universiteit verricht, heeft vaak om verzekeringstechnische redenen ook een dienstverband bij deze universiteit. Dit geldt ook voor de omgekeerde gevallen, wanneer een universitair onderzoeker bijvoorbeeld deeltijds in het bedrijfsleven werkt. Een ander voorbeeld betreft consultancy werkzaamheden door een onderzoeker van een universiteit aan het bedrijfsleven. Dit laatste voorbeeld strekt zich ook uit tot de gevallen waar een start-up, als spin-off van een universiteit, verder wordt geadviseerd door een universitair onderzoeker. Op alle uitvindingen die voorvloeien uit deze voorbeelden maakt de universiteit tenminste mede aanspraak op octrooi op basis van huidig artikel 12, derde lid.