Professionalisering van de jeugdzorg

Reactie

Naam mevr. K. Scholtens
Plaats Arnhem
Datum 29 augustus 2012

Vraag1

Zoals in het ontwerp van de Memorie van Toelichting (o.a. op pagina 6) is aangegeven, maakt de wet het straks mogelijk jeugdzorgorganisaties te verplichten te werken volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling.

Welke voor- en nadelen ziet u bij de toepassing van de norm van de verantwoorde werktoedeling?

Welke mogelijkheden ziet u om de door u geconstateerde voordelen te versterken en de nadelen te beperken?
Voordeel is dat werkers aan een norm moeten voldoen en zorgaanbieders voldoende geschoold personeel in moeten zetten.

Vraag2

De in het kwaliteitsregister geregistreerde beroepsbeoefenaar zal straks gebonden zijn aan de beroepsethische norm, de jeugdzorgorganisatie aan de eis om verantwoorde zorg te leveren, onder andere door toepassing van de norm van de verantwoorde werktoedeling.

Maakt het ontwerpwetsvoorstel voldoende duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en tot waar deze verantwoordelijkheden reiken?

Is het duidelijk wie verantwoordelijk is wanneer de norm van de verantwoorde werktoedeling niet goed wordt toegepast of wanneer een geregistreerde beroepsbeoefenaar handelt in strijd met de voor hem geldende beroepsethische normen?
De verantwoordelijkheden zijn duidelijk beschreven. Het lijkt me voor de geregistreerde beroepsbeoefenaren lastig om verantwoordelijk te zijn voor het handelen van de niet-geregistreerde beroepsbeoefenaar. Aangezien veel processen buiten hem of haar omgaan binnen grote organisaties (aparte intake-afdeling, telefonisten, gegevens in computersystemen) Binnen mijn organisatie gebeurt al veel, voordat een cliënt bij mij terecht komt. Ik kan alleen verantwoordelijk zijn voor mijn eigen handelen. Niet voor hoe de zorgaanbieder is georganiseerd en ingedeeld.

Vraag3

In de nog op te stellen algemene maatregel van bestuur wordt een bepaling opgenomen op grond waarvan jeugdzorgorganisaties er zorg voor moeten dragen dat in het kwaliteitsregister geregistreerde beroepsbeoefenaren hun werk uitoefenen met inachtneming van de beroepsethische normen waaraan zij door de inschrijving in het kwaliteitsregister zijn gebonden.

Denkt u dat zo’n bepaling voldoende is om die beroepsbeoefenaren daartoe ook in staat te stellen?
Zodra de normen bekend zijn, kunnen de beroepsbeoefenaren er naar handelen. Op het moment dat dit tot conflicten leidt tussen werkgever en personeel, zou het goed zijn om bij het register terecht te kunnen voor bemiddeling.
Het is afhankelijk van de consequenties en controle van de inspectie of organisaties ook zullen gaan controleren of geregistreerde beroepsbeoefenaren zich aan de normen houden.

Vraag4

Het ontwerp van het wetsvoorstel kondigt aan dat er een overgangsperiode moet komen voor werknemers die zich nog moeten kwalificeren voor het kwaliteitsregister en werknemers die andere taken moeten krijgen als gevolg van de wetswijziging. Het overgangsrecht wordt bij algemene maatregel van bestuur ingevuld.
Met welke factoren moet ten aanzien van die werknemers rekening gehouden worden bij het bepalen van de overgangsperiode?
Zijn er behalve factoren die betrekking hebben op werknemers ook nog andere factoren waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van het overgangsrecht?
Ik ben erg benieuwd naar de eisen aan de bijscholing om de registratie te kunnen behouden. Het beoordelen van de scholing geeft het register een grote machtspositie. Ik ben voorstander van het tuchtrecht en de beroepsethische normen. Maar ik zou niet te strenge eisen aan de bijscholing stellen om te voorkomen dat bepaalde opleiders een monopolie-positie krijgen en er teveel tijd aan bijscholing besteed moet worden. Binnen organisaties wordt er ook veel intern getraind en informatie overgedragen middels intevisie en coaching.
Afhankelijk van de strictheid van de scholingsnorm moet een passende periode gekozen worden om deze scholing te kunnen afronden.

Vraag5

Het ontwerp van de Memorie van Toelichting bevat een onderdeel over het toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling in het nieuwe jeugdstelsel en verplichtingen die daartoe aan gemeenten worden opgelegd.

Ontbreken er in dat onderdeel aandachtpunten waarmee in het kader van de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten rekening moet worden gehouden?
-

Vraag6

Er zijn straks drie beroepsverenigingen betrokken bij de oprichting en de inrichting van het kwaliteitsregister. Daarnaast is een rol weggelegd voor een adviesraad waarin onder andere cliënten en werkgevers (jeugdzorgorganisaties) vertegenwoordigd kunnen zijn.

Bent u van oordeel dat in dit ontwerpwetsvoorstel op de juiste wijze invulling is gegeven aan die betrokkenheid van de beroepsverenigingen en de jeugdzorgorganisaties? Zo niet, waarom niet?

Op welke wijze zou die betrokkenheid naar uw oordeel moeten worden ingevuld om de door u geconstateerde bezwaren weg te nemen?
ja

Vraag7

De betrokkenheid van de overheid bij de professionalisering van de jeugdzorg komt voor een belangrijk deel tot uiting doordat aan het kwaliteitsregister straks eisen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. De kaders doorvoor zijn opgenomen in het ontwerp (art. 29z, tweede, derde en vierde lid).

Bent u van oordeel dat de in het ontwerp gestelde kaders voldoende zijn om te kunnen waarborgen dat de geregistreerde beroepsbeoefenaren nu en in de toekomst voldoende vakbekwaam en integer zijn om hun taken in de jeugdzorg uit te kunnen oefenen?

Welke voorwaarden zijn naar uw oordeel essentieel?

Is het in artikel 29z gestelde kader toereikend of wellicht te ruim?

Welke elementen ontbreken in het kader of kunnen volgens u worden gemist?
ja,
essentieel: waarborging onafhankelijkheid van besluitvorming, waarborging vakbekwaamheidsniveau beroepsbeoefenaren,

Vraag8

Zijn er verder nog punten in het ontwerpwetsvoorstel die naar uw mening aandacht behoeven of die het voorstel kunnen versterken?
De normen, waar beroepsbeoefenaren aan moeten voldoen, moeten concreet en helder beschreven worden. Zodat zij weten wat er van hen verwacht wordt en er ook goed beoordeeld kan worden of er al dan niet correct gehandeld is.