Wet werkelijk rendement box 3

Reactie

Naam Particuliere belegger (Dhr PV Van Droogenbroeck)
Plaats Hoek van Holland
Datum 18 oktober 2023

Vraag1

Algemeen
Wat vindt u van het voorstel in algemene zin?
Hieronder zijn vragen over enkele specifieke onderdelen van het voorstel opgenomen. U kunt hierop reageren als u hierover uw mening wilt geven.
Ik vind het een zeer bedenkelijk voorstel, redenen:
1. Geen rekening gehouden met inflatie
Het nieuwe plan houdt geen rekening met inflatie. Dat is fundamenteel onjuist en onrechtvaardig. Een belegger die 4 procent rendement behaalt bij 1 procent inflatie heeft een reëel rendement van 3 procent. Dat zou je kunnen belasten. Maar bij oplopende inflatie – we hebben in 2022 10 procent gehad – is het effect veel groter.
Een belegger die 8 procent rendement had behaald, moet in het nieuwe systeem daarover belasting afdragen. Het reële rendement is al 2 procent negatief. In koopkracht wordt de belegger 2 procent armer. Daar komt de belastingafdracht nog overheen.
Met deze methodiek wordt ernstig inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht. De argumenten die de minister geeft tegen heffing op de reële rendementen zijn niet valide en eenvoudig te weerleggen.




Vraag2

Beleidsmatige afwegingen
a. Hoe staat u tegenover het voorgestelde systeem, dat een hybride karakter heeft en elementen van vermogensaanwas-, vermogenswinst-, en forfaitaire belasting omvat?
b. Hoe verhoudt dit zich tot alternatieven zoals een volledige vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting, of een vermogensbelasting?
c. Wat vindt u van de keuze voor een vermogensaanwasbelasting als primaire regeling?
d. Welke overwegingen heeft u met betrekking tot de uitzondering voor de eerste woning in box 3 voor eigen gebruik, en welke voordelen en nadelen ziet u hierin?
e. Het forfait voor de eerste woning in box 3 omvat het gehele rendement inclusief kosten, waaronder financieringskosten. Wat vindt u hiervan?
f. Hoe staat u tegenover de uitzondering voor aandelen van familiebedrijven en startups?
g. Vindt u dat de gekozen forfaits resulteren in een evenredige belastingdruk over de verschillende vermogenscategorieën? Zo ja, waarom, en zo nee, waarom niet?
h. Wat is uw visie op het onderscheid tussen het belasten van eigen gebruik van een onroerende zaak onder het vermogenswinstregime (via een forfait) en het belasten van een verhuurde onroerende zaak (gebaseerd op werkelijke huurinkomsten minus kosten en het activeren van verbeteringen)?
2. Belasting betalen dwingt tot verkoop
Een belegger houdt een effectenportefeuille aan voor de lange termijn. Door een eindejaarsrally stijgt de portefeuille in waarde van 100.000 euro naar 160.000 euro. Na matige jaarcijfers zakt de portefeuille terug naar 120.000 euro. De belegger krijgt een aanslag over 60.000 euro vermogensaanwas en moet vervolgens bijvoorbeeld 15.000 tot 20.000 euro aan belasting betalen. Meer dan 15 procent van de portefeuille moet worden verkocht.

Vraag3

Gedragseffecten
a. Welke gedragseffecten verwacht u als gevolg van de hybride aard van het stelsel, met name met betrekking tot de uitzondering van vermogensaanwas op vastgoed, aandelen van familiebedrijven en startups? In welke mate verwacht u dat deze effecten zullen optreden?
b. In welke mate denkt u dat het stelsel mogelijkheden biedt voor belastingarbitrage, zowel binnen het hybride stelsel als in relatie tot box 2? Hoe verschilt dit volgens u van het huidige (overbruggings)stelsel?
3. Beleggen in aandelen wordt onaantrekkelijker
Het systeem van een forfaitaire belasting 30 procent keer 4 procent levert de belegger of particulier vrijheid om zijn investeringskeuzes onafhankelijk van de belastingafdracht te nemen.
Heffen op basis van aanwas zorgt voor een hogere belasting op aandelenbeleggingen. Dat is ongewenst. Dat betekent dat het minder aantrekkelijk wordt om risicodragend kapitaal te verstrekken aan het bedrijfsleven. Meer geld wordt passief aangehouden, minder geld wordt geïnvesteerd in de economie.
Ten opzichte van vastgoed geldt dat daar de belastingheffing wordt uitgesteld tot daadwerkelijke realisatie. Er zal ook geld van aandelen naar vastgoed stromen. Daarnaast zal bij minder liquide aandelen een seizoenseffect optreden in de periode dat de belasting moet worden afgedragen door de particuliere beleggers.

Vraag4

Valutaresultaten behaald met banktegoeden
Voorgesteld wordt om alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden in de heffing te betrekken. Bij banktegoeden in euro’s bestaat het voordeel doorgaans alleen uit de ontvangen rente. Bij banktegoeden die worden aangehouden in vreemde valuta zal daarnaast sprake zijn van waardemutaties als gevolg van wisselende valutakoersen. Een valutaresultaat kan positief of negatief zijn. Voor de berekening van de valutaresultaten dienen alle stortingen en onttrekkingen van de bankrekening afzonderlijk te worden omgerekend in euro’s tegen de valutakoers ten tijde van de betreffende storting of de onttrekking. Een dergelijke exercitie is complex, met name indien sprake is van veel transacties. Nederlandse financiële instellingen geven aan dat zij - naast de stand op 1 januari, 31 december en het bedrag aan rente - alleen het totaalbedrag van stortingen en onttrekkingen in een bepaald jaar kunnen renseigneren. Vanuit praktisch oogpunt is in het conceptwetsvoorstel voorgesteld om valutaresultaten van banktegoeden die worden aangehouden in vreemde valuta buiten beschouwing te laten en enkel de ontvangen rente te belasten. De in vreemde valuta ontvangen rente kan bijvoorbeeld tegen een gemiddelde jaarkoers of koers per einde jaar worden omgerekend in euro’s.

Wij vragen uw input ten aanzien van het dilemma tussen de zuivere benadering waarbij (positieve en negatieve) waardeontwikkelingen van banktegoeden wel in de heffing worden betrokken en de voorgestelde praktische benadering waarbij alleen de ontvangen rente is belast. Als u vindt dat waardeontwikkelingen in de heffing betrokken moeten worden, zou dat volgens u op basis van een vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting moeten?
4. Nederland loopt internationaal uit de pas
In een aantal landen bestaat de belasting uit een bevrijdende voorheffing, een vast percentage van het inkomen (rente en dividenden). Daar waar sprake is van een vermogensaanwasbelasting wordt deze pas bij realisatie geheven. Een heffing op basis van ongerealiseerde waardestijgingen voor vrijwel alle vermogenstitels is ongekend.

Vraag5

Aftrekbaarheid van rente van consumptieve schulden
In het huidige box 3-stelsel verlagen schulden de rendementsgrondslag op basis waarvan het forfaitaire inkomen wordt berekend. In box 3 vallen alle schulden van burgers die niet in box 1 (bijvoorbeeld voor de eigenwoning) of in box 2 (financiering van een aanmerkelijk belang) in de heffing worden betrokken. Niet vereist is dat sprake is van een causaal verband tussen de schuld en de bezitting in box 3. Schulden voor consumptiedoeleinden, zoals een auto of een vakantie, verlagen zodoende de rendementsgrondslag ondanks dat de auto doorgaans niet als bezitting is belast in box 3. In het huidige box 3-stelsel leidt een negatieve rendementsgrondslag (schulden zijn groter dan de bezittingen) niet tot een negatief inkomen. In het nieuwe box 3-stelsel is de rente van schulden aftrekbaar van het inkomen uit bezittingen en schulden. Ook hierbij is niet vereist dat de schulden waarvan de rente aftrekbaar is, moet zijn aangewend voor de aanschaf van een bezitting die in box 3 is belast. De rente van een lening voor bijvoorbeeld een vakantie is zodoende aftrekbaar. Nieuw is dat het inkomen uit box 3 wel negatief kan zijn als de (rente)kosten en negatieve waardemutaties groter zijn dan de inkomsten en positieve waardemutaties van bezittingen in een bepaald jaar.

Dit roept de vraag op of de aftrekbaarheid van rente van consumptieve schulden beperkt moet worden in het nieuwe stelsel. Wat vindt u hiervan?
5. Negatieve bij-effecten
Het plan heeft een aantal negatieve bij-effecten:
a. een jaarlijkse verkoopdruk om de belasting te betalen en geeft diverse verkeerde prikkels
b. overhevelen van Box 3 naar Box 2 om andere dan economische redenen
c. minder risicokapitaal beschikbaar voor small- en midkapbedrijven vanwege de mindere liquiditeit in het aandeel. (kunnen moeilijk worden verkocht om belasting te betalen)
d. groter motief voor fiscale emigratie
e. nog minder aanbod van onroerend goed

Vraag6

Onroerende zaken
a. Om onder het forfait voor de eerste woning sparen en beleggen te vallen, moet sprake zijn van hoofdzakelijk eigen gebruik van de (vakantie)woning. Dit is 70%. Onder het voorstel wordt dit bepaald door weken en dagen te tellen. Een andere mogelijkheid zou zijn om bijvoorbeeld uit te gaan van een maximale huuropbrengst in verhouding tot de WOZ-waarde om zeker te stellen dat de woning vooral voor eigen gebruik is. Wij vernemen graag van u, hoe u denkt dat het zeker stellen dat er sprake is van hoofdzakelijk gebruik bij de eerste woning sparen en beleggen het beste te bepalen is.
b. In het voorgestelde ontwerp kan voor wat betreft onroerende zaken één woning (per huishouden) onder het forfait eerste woning sparen en beleggen vallen. Wanneer deze niet meer voldoet aan het criterium ‘hoofdzakelijk voor eigen gebruik’, maar bijvoorbeeld het gehele jaar wordt verhuurd, wordt de woning verplaatst naar een vermogenswinstregime voor onroerende zaken. Om arbitrage te voorkomen en het voor de belastingplichtige en Belastingdienst eenvoudig te houden, wordt voorgesteld dat de woning daarna niet meer terug kan naar het regime van het forfait voor de eerste woning sparen en beleggen. Ook niet wanneer deze daarna weer voor hoofdzakelijk eigen gebruik wordt gebruikt. Wij vragen uw input ten aanzien van dit voorstel, waar een afweging gemaakt moet worden tussen het voorkomen van arbitrage en uitvoerbaarheid én de feiten en omstandigheden die zich bij belastingplichtigen kunnen voordoen.
6. Praktische problemen voor Belastingdienst en belastingbetaler
De Belastingdienst gaat ervan uit dat er op elke belegging jaarlijks een waardering geplakt kan worden. Niet alle vermogenstitels in Box 3 zijn echter beursgenoteerd en ook niet alle beursgenoteerde beleggingen zijn liquide te maken. Het invullen van de belastingaangifte wordt een grotere uitdaging dan ooit.
Tegelijkertijd moet de Belastingdienst op heel veel vlakken controles uitvoeren. Dat betreft waardering van aandelen/bezittingen, het volgen van vermogensstromen, tussentijdse mutaties en dergelijke. Dat is veel administratieve rompslomp en veel werk om te controleren. Als de Belastingdienst het werk nu al niet aankan, zal deze nieuwe regeling ongetwijfeld tot nog meer uitvoeringsproblemen leiden.

Vraag7

Afbakening startende innovatieve onderneming
Voorgesteld wordt om de waardemutaties van aandelen in startende innovatieve ondernemingen (startups en scale-ups) niet jaarlijks in de heffing te betrekken maar gecumuleerd bij verkoop (vermogenswinstbelasting). Voor de afbakening is het nodig om een definitie op te stellen. Voor zowel burgers die gebruik maken van de regeling als de Belastingdienst in het kader van de controle en handhaving is het van belang dat de voorwaarden voor toepassing van de regeling objectief kunnen worden bepaald. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de leeftijd en omvang van de onderneming, het aantal werknemers, de niet-verhandelbaarheid van de aandelen op een gereglementeerde markt, enzovoort. Het hanteren van algemene begrippen of open normen zoals ‘innovatief’ of ‘risicovolle investeringen’ kan leiden tot onzekerheid over het kunnen toepassen van de regeling en tot discussies tussen burgers en de inspecteur over de interpretatie van deze begrippen.

Wij vernemen graag van u welke objectief bepaalbare elementen u geschikt en wenselijk acht om de aandelen in startende innovatieve ondernemingen af te bakenen.
7. Onzekerheid over belastingopbrengst
Dit bezwaar geldt vooral voor de overheid zelf.
Een goede schatting van de vermogensaanwas en de daaruit voortvloeiende belastinginkomsten is niet mogelijk.
In de praktijk zal sprake kunnen zijn van forse fluctuaties. In 2021 gingen de beurkoersen fors omhoog, in 2022 weer omlaag.
Als de economie slecht is (bijvoorbeeld krimpt), dan is het waarschijnlijk dat ook de vermogensaanwas benedengemiddeld is of negatief. Precies dan vallen de belastinginkomsten tegen. Juist als de overheid extra zou moeten investeren om de economie te ondersteunen. Bij lagere belastinginkomsten in een recessiejaar moet de overheid bezuinigen en is er dus sprake van een pro-cyclisch begrotingsbeleid.